Ik ben sprakeloos
Ik heb geen neus om op te halen
Ik kan echt niet luisteren
want ik heb geen oren om te luisteren
Ik heb geen oren
Ik lach een oneigenlijke lach
Ik heb chaos in mijn hoofd
en misschien ik wil helemaal niet lachen
Ik heb geen oren
Ik kijk zo scheel door mijn ronde bril
Ik grijns, maar zonder tanden
Maar mijn wilde haren krullen uitbundig
Ik heb echt krullen
Ik ben wel gek maar ik ben niet dom
Ik heb ogen die niets zien
Maar zonder oren kan ik toch niets horen




Een beeldgedicht
De kracht van een goed beeldgedicht zit in de verbinding van beeld met taal. Het gedicht versterkt de beleving van het beeld, of geeft het kijken ernaar een andere invalshoek. Het beeld versterkt de beleving van het gedicht, voegt er iets aan toe of maakt iets duidelijk. Het beeld vormt de inspiratiebron van je gedicht, in je tekst kun je daar vandaan bewegen, maar er moet wel een verbinding tussen beiden blijven bestaan.
Het beeld en het gedicht kunnen los van elkaar bestaan en hebben elkaar niet nodig om begrepen te worden. Wanneer ze samen gepresenteerd worden, versterken ze elkaar.
In ‘Ik’ vormt elk portret de basis van een strofe van het gedicht. Vier portretten, dus vier strofes.
