De rubberlaarzen hebben de hele nacht bij de buitenkraan gelegen, naast mijn schaatsen. Aan de kraan hangt een ijspegel. Met één voet op de drempel balancerend, steek ik de tenen van mijn andere voet in de schacht van een laars om hem aan te trekken. Ik verplaats mijn gewicht om de andere laars ook aan te kunnen trekken. Mijn voeten worden meteen koud. Ik vis de sleutel uit mijn jaszak, draai de buitendeur op slot, trek mijn handschoenen aan en grijp de schaatsen bij hun veters. Het ijzer van één van de schaatsen slaat daarbij met de punt tegen mijn been. Ik mompel een verwensing.

In de achtertuin is de afgelopen dagen een paadje ontstaan. Sinds het hard genoeg vriest, heb ik dagelijks deze route genomen, soms wel een paar keer per dag. De aangestampte sneeuw is vannacht opgevroren. Glibberend zet ik koers naar de dijkhelling, via de tuin door het poortje naar de wei, om achterin over het hek te kunnen klimmen. Op het stuk waar de afstand tussen twee palen van de afrastering het grootst is, hangen uitgetrokken manen aan de stekels van het prikkeldraad. Hier steken de pony’s hun hoofden altijd door het hek om nog wat grassprieten te bemachtigen. Dat is de beste plaats om het draad naar beneden te drukken om over het hek te klimmen. Aan de andere kant van het hek wacht de dijkhelling geduldig op mijn beklimming. Recht omhoog lopen is lastig, de helling is stijl en het wit uitgeslagen gras is gladder dan je zou verwachten.

Als ik boven ben, geselt de wind mijn gezicht. Het wolkendek hangt grauw en zwaar boven de uiterwaarden. Het gaat vast sneeuwen. Ik rits mijn jas nog iets verder dicht en trek mijn muts beter over mijn oren. Mijn lippen voelen droog aan. Ik had er beter wat vaseline op kunnen smeren, denk ik, maar daarvoor is het nu te laat. Half lopend, half rennend hobbel ik de dijk af. De veters van mijn schaatsen snijden door de handschoenen heen, maar dat geeft niet want ik ben er bijna. Als ik het eind van de dijk nader, hoor ik het enthousiaste geschreeuw en het raspende geluid van ijzers op het ijs. De koude lucht draagt het geluid waardoor het harder klinkt. Even later komt de koek en zopie in zicht. Ik maak een huppeltje. Het karrepad dat in de zomer toegang geeft aan de boeren om met hun trekkers en maaimachines de uiterwaarden in te rijden, is bobbelig bevroren. Ik moet goed opletten dat ik niet struikel. Over het gras vervolg ik de route naar de rand van de bevroren plas. Overal slingeren schoenen en schaatsbeschermers rond.

Ik zoek een bult zo dicht mogelijk bij het ijs, waar ik op kan zitten om mijn laarzen te verruilen voor mijn schaatsen. Mijn handschoenen doe ik uit om de veters te kunnen strikken. Al voor ik daarmee klaar ben, zijn mijn vingers bleek en gevoelloos geworden. Ik blaas mijn adem in mijn vuisten om ze op te warmen voor ik mijn handschoenen weer aantrek, maar het helpt nauwelijks. Voorzichtig kom ik overeind en kluun het laatste metertje om het ijs op te kunnen stappen. Dat blijft altijd ongemakkelijk, mijn enkels steken als protest tegen de plotselinge overdaad aan het soort beweging waar ze al een paar jaar van verstoken waren. Maar als de ijzers het ijs raken gaat alles weer vanzelf. Mijn benen komen in beweging, afwisselend links en rechts, automatisch doen ze wat nodig is. De vaart neemt toe. Mijn hartslag gaat omhoog. Mijn bloed gaat sneller stromen, ik voel hoe de ijzige kou mijn lichaam verlaat. Mijn vingers tintelen aangenaam. Ik ga, sneller en sneller, voel de grijns op mijn gezicht ontstaan. Ik schaats!

Tip van de schrijfster: de Gelderlander heeft een paar goede adviezen voor veilig schaatsplezier https://www.gld.nl/nieuws/8075063/schaats-niet-op-uiterwaarden-en-ondergelopen-weilanden

Eén reactie

  1. We trotseren de kou voor dit heerlijke gevoel, maar ook een overwinning voor onszelf. Heerlijke vrijheid en mooie herinneringen.

Laat een antwoord achter aan Diny Meeuwissen Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *