
Gesprek met een schaar.
‘Je bent oud.’ Ik sla mijn armen over elkaar. Mijn blik rust op de schaar die op het aanrecht ligt.
‘Ik glim nog altijd.’
‘Je bent oud. Je wiebelt. Je schroefje zit los.’ Hij glimt inderdaad, denk ik, maar dat is dan ook het enige.
‘Ik knip nog! Ik denk dat ik nog wel knip …’
Ik pak de schaar op, de aanraking met het metaal doet me rillen.
‘Maar is dat voldoende? Denk je dat knippen je enig bestaansrecht geeft?’ vraag ik, terwijl ik de schaar zijn knipbewegingen laat maken. Het maakt een klingelend geluid. Een schaar hoort niet te klingelen. Een schaar hoort te schaven.
‘Maar ik knip. Ik heb zoveel geknipt. Wratten, hechtingen, randjes. Verband, pleisters. Haar! Labels, papier. Ik knip nog altijd. Noem me niet oud. Noem me … noem me doorleefd, gelouterd. Maar niet oud!’
Ik frons mijn wenkbrauwen. Wratten? Ik heb er nooit wratten mee geknipt. Wratten bevries ik met stikstof. Heeft mijn collega huisarts de schaar gebruikt om … ‘Je bent oud. Versleten,’ onderbreek ik mijn eigen gedachten. ‘Je bestaat al lang. Je lag in 2003 al in de la.’ Was dit een schaar van onze voorganger? Of hadden we hem zelf aangeschaft toen we de praktijk overnamen? Ik probeer het me te herinneren. Zo’n wiebelig kreng? Die moet van onze voorganger zijn geweest. ‘En misschien daarvoor al,’ vervolg ik, ‘je bent oud en afgeschreven.’ Ik smijt de schaar weer op het aanrecht. Het gekletter doet de hond opkijken.
‘Ik heb veel diensten bewezen. Ik heb zoveel dingen doormidden gekliefd. Succesvol. En, oké, soms ook onbedoeld. Maar dat was dan niet mijn schuld. Ik ben niet toerekeningsvatbaar. En ook niet oud. Noem me niet oud!’
Ik zie voor me hoe mijn dochter een leeg vel papier wilde knippen. Met het puntje van haar tong uit haar mond ging ze secuur te werk. Een paddenstoel in het bos kwam los van de boom waar hij onder had gestaan en wapperde op de grond. De tekening was, de verf nog nat, onder het lege vel blijven plakken. Eén pakje papieren zakdoekjes was niet genoeg geweest voor alle tranen.
‘Je bent oud. Je bent niet meer goed schoon te krijgen. Je bent als een luier van een oud mannetje. De geur … Ik hoef niets te zeggen, je kent de geur van oude mannetjesluiers. Je bent oud, klaar om weggegooid te worden.
‘Noem me niet oud. Ik knip nog.’ Even denk ik dat ik de schaar zie verkrampen.
Ik grijp het ding van het aanrecht en donder het in de afvalemmer.
