Foto: Lex Harfterkamp

Rudolf Rendier krabt lusteloos met zijn hoeven in de sneeuw. Zijn kop hangt laag voor zijn knieën maar hij heeft de puf niet om te snuffelen in het gat dat hij zojuist geschraapt heeft. Hij rilt. Het is donker. Hij schudt met zijn kop een denkbeeldige vlieg weg. Die zijn er helemaal niet in dit jaargetijde, schampert hij bij zichzelf. Hij zucht nog eens. Volgende week is het kerst, dan moet hij weer voor de arreslee. Maar hij is het zo zat, het heen en weer gevlieg door de lucht, over de Noorse bergtoppen richting het zuiden. Al die huizen langs, zodat de kerstman goede sier kan maken met de pakjes. Het ‘ho-ho-ho’ komt echt zijn neus uit. En zo ver bij de poolcirkel vandaan is het ook veel te warm. ‘Was ik maar een edelhert,’ mompelt hij tegen zichzelf, ‘dan kon ik lekker door de bossen struinen. Niks arreslee, niks bellen en cadeautjes. Gewoon natuur, bos, hier en daar een verloren blaadje om aan te knabbelen.’

Rudolf draait een rondje voor hij wegsjokt tussen de stammen. Daar waar de bomen zelfs in de zomer geen daglicht doorlaten, laat hij zich door zijn poten zakken. Eerst maar eens een dutje. Hij voelt nog net hoe de koude wind over zijn rug streelt als zijn ogen dichtzakken.

Als Rudolf wakker wordt, staat hij aan de rand van het bos. Hij voelt zich fit, herboren. Hij heeft echt zin in de dag. Hij kijkt om zich heen. Waar is hij? Het ruikt anders, hier en het is een stuk minder koud dan gisteravond. Het zonlicht speelt tussen de boomtoppen en werpt schaduwen op de gevallen bladeren. Gevallen bladeren? Waar is de sneeuw gebleven, denkt Rudolf. Hij zet een paar passen. De ondergrond veert een beetje. Verderop is een vennetje. Dat herinnert hem eraan dat hij best dorst heeft. Gisteravond was al het water in de buurt bevroren en de kerstman was vergeten de tonnen te vullen. Hij huppelt naar het ven. Het wateroppervlak staat roerloos. Voorzichtig buigt hij zijn kop omlaag om te drinken. Maar voor zijn lippen het water raken, kijkt hij naar zijn spiegelbeeld in het water. Huh? Zijn gewei ziet er anders uit. Het is groter. Zijn kop is ook breder. Wat is dit voor een water, dat hij zichzelf zo ziet? Hij knippert een paar keer en kijkt opnieuw. Het is echt waar, hij is helemaal veranderd. Zijn vacht is roder, zijn poten zijn langer. Hij is… nee, dat kan toch niet waar zijn? Hij lijkt verdacht veel op een hert! Hij kijkt om zich heen. Nu pas ziet hij tussen de bomen de kudde grazen. Voorzichtig stapt hij naderbij. ‘Hallo?’ Niemand reageert. ‘Hallo,’ luider nu. ‘Ha,’ zegt een hert dat schuin achter hem staat. Wat een raar accent, denkt hij. ‘Wie ben jij,’ vraagt het dier. 

‘Harrie het hert,’ hoort hij zichzelf zeggen en hij schatert het uit. 

‘Hallo Harrie. Ik ben Erik Edel. Welkom bij de kudde. Je lag zo diep te slapen, we hebben met zijn allen maar even de wacht gehouden. Het kan gevaarlijk zijn ‘s nachts.’ 

Rudolf voelt een warme stroom door zijn lichaam trekken. Hij hoort bij een kudde herten en die heeft ook nog op hem gepast terwijl hij sliep! Het moet het Walhalla zijn waar hij terecht is gekomen. 

‘Kom,’ hoort hij Erik Edel zeggen, ‘nu je wakker bent, kunnen we beter gaan. 

Voor hij kan antwoorden springt Erik Edel weg. De andere dieren kijken op en komen als een geoliede machine in beweging. Rennend en springend zoeken ze hun weg door het bos, over grasland, langs een akker. Ze springen over sloten en waden door een beekje. Rudolf rent mee met de kudde. Als hij achterop raakt, houden de andere herten in en moedigen hem aan. Uiteindelijk komen ze tot stilstand in een berkenbos. Rudolf hijgt. Damp komt uit zijn neus en stoom uit zijn oren. Tenminste, dat denkt hij, dat moet wel zo zijn. Hij heeft het in geen jaren zo warm gehad. En hij is lange tijd niet zo gelukkig geweest. De tocht was mooi, het was licht om hem heen, de kudde ontfermde zich over hem en hij had in geen jaren meer zo soepel over boomstronken en sloten gesprongen. 

Om hem heen beginnen enkele dieren te eten. 

‘Gauw,’ maant een hinde hem.

‘Hebben we haast? Wie ben jij trouwens?’

‘Hannah,’ antwoordt de hinde tussen twee happen door. 

‘Hannah! Wat zie je er mooi uit.’

De hinde knippert een paar keer voor ze verder vreet.

‘Ik ben Harrie. Harrie het hert.’

Hannah grijnst. ‘Ja ja, ik zie wel dat je een hert bent, dat hoef je niet te zeggen. Maar ga nu eten, nu het kan.’

Harrie’s hart maakt een sprongetje. Als hij zou kunnen blozen, was hij nu rood tot achter zijn oren, dat weet hij zeker.

De nacht valt. De dieren staan dicht bij elkaar. De groep is onrustig. Er wordt gemompeld, geschraapt, geblazen.

‘Wat is er gaande?’ vraagt Rudolf aan Hannah. 

Hannah kijkt naar Erik. Dan slaat ze haar ogen neer.

‘Het is beter dat je dat niet weet,’ fluistert Erik, ‘dan hoef je ook niet ongerust te zijn.’

‘Maar…’

‘Nee. Nee, ga slapen, zorg dat je uitgerust bent. Je zult het nodig hebben.’

Rudolf wil wat zeggen, maar aan de blik van Hannah ziet hij dat hij maar beter kan doen wat Erik zegt. Hij doet zijn ogen dicht en probeert in slaap te vallen. Dat lukt nog niet meteen. Alle opwinding van vandaag heeft zijn lijf opgewarmd en hij voelt zich vrolijk. Tegelijkertijd vraagt hij zich af wat Erik bedoeld kan hebben. En Hannah, met haar prachtige bruine ogen! Was het bezorgdheid geweest, wat hij in haar stem had gehoord? En, vraagt hij zich af, hoe ben ik hier terechtgekomen? Waarom ben ik nu een hert dat Harrie heet?

Hij moet toch in slaap gevallen zijn. Takjes knappen zacht onder Hannah’s hoeven als ze met haar neus in zijn flank port. ‘Ga,’ fluistert ze, ‘sluip voorzichtig verder het bos in.’

‘Hoezo? En jij dan?’

‘Schiet op! We gaan allemaal.’

Hij is op slag klaarwakker. Het is menens. Zijn hart slaat op hol en dat is precies wat zijn poten ook willen doen. De rest van de kudde manoeuvreert voorzichtig tussen de bomen door. Het lijkt wel of ze elektrisch geladen zijn. Hij komt in beweging en loopt achter Hannah aan.

‘Nee, niet achter mij. Spreiden. Zo maken we meer kans.’

Meer kans? Wat is er aan de hand?! De kudde versnelt en Rudolf zoekt zijn weg tussen de bomen door, iets van de kudde af, maar dichtbij genoeg om ze te kunnen volgen. De dieren versnellen. Achter zich hoort hij takjes breken. Wat is dat? Hij zet het op een rennen.

Dan een knal.

Hij kijkt om en ziet Erik in elkaar zakken. ‘Erik,’ roept hij, maar Erik blijft liggen.

‘Blijf rennen,’ komt de stem van Hannah schuin achter hem.

‘Maar Erik dan?’

‘Het is te laat. Erik wordt hertenbiefstuk deze kerst. Ren, voor jij in de hachee belandt!’

Rudolf rent en rent en rent.

‘Hé jongen,’ hoort hij de stem van de kerstman in de verte. Hij doet een oog open. De kerstman streelt over zijn kop en achter zijn oren. ‘Ben je ziek, Rudolf? Ach jongen, je bent helemaal bezweet. Kom maar, dan breng ik je naar binnen.’

Rudolf doet zijn andere oog ook open. De sneeuw maakt de omgeving helder, wolkjes komen uit de neus van de kerstman en uit zijn eigen neus. Het bos ziet er vertrouwd uit. Hij is veilig! 

De kerstman houdt zijn hand op zijn rug als hij stijf overeind komt. Samen sjokken ze naar de stal. De kerstman trekt een nieuwe baal stro open en schudt die los terwijl Rudolf zich afvraagt waar Hannah is gebleven. De kerstman legt de tuinslang in de ton en draait de kraan open. Hij bukt zich om een paar plakken hooi los te trekken van een baal die in de hoek ligt, terwijl de ton volloopt. ‘Hier jongen, eet maar lekker.’ De kraan piept als de kerstman hem weer dichtdraait.

Rudolf steekt zijn neus in de ton. De lucht uit zijn neusgaten maakt kringen op het wateroppervlak voor hij zijn bek erin steekt om te drinken. De grote slokken water gaan als een koude stroom door zijn keel naar zijn maag. Het voelt weldadig aan. Hij schudt zijn hoofd voorzichtig. Het gewicht van zijn gewei voelt vertrouwd aan. Hij kijkt naar zijn buik. De haren van zijn vacht gaat met zijn ademhaling op en neer. Borstelig en bruin, denkt hij. Ik ben geen hert. 

‘Je wordt een dagje ouder, Rudolf,’ hoort hij de stem van de kerstman aan de andere kant van het schot. ‘Rust jij maar eens een jaartje uit. De jongens kunnen de arreslee wel trekken zonder jou, dit jaar. Misschien moet je maar eens met pensioen.’

Rudolf draait zich om en sjokt naar de kerstman toe. Hij duwt zijn grote kop tegen zijn schouder. De kerstman klopt hem tegen zijn hals. ‘Ouwe jongen, je hebt je rust verdiend. Dat is mijn cadeau voor jou dit jaar.’ De kerstman loopt de stal uit.

Rudolf kijkt hem na. Hij slikt een brok weg. Gelukkig ben ik een rendier vlakbij de Noordpool, denkt hij, en geen hert in een jachtgebied. Dan rolt een traan over zijn wang. Hannah! Zou ze echt bestaan?

2 reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *