
Er was eens een verhaal dat ik je graag wil vertellen. Lang geleden, misschien was het wel het jaar 2098, was er een kelder, hier ver vandaan. Echt, je moest eerst twee straten naar rechts, dan drie keer links, om daarna de gevaarlijke kruising over te steken, een kruising waar je sigaret gegarandeerd uitdoofde, zo zwart zag het daar van de uitlaatgassen en dieseldampen. En dan nog was je er niet. Verder ging het, over keien, ongelijk en met steeds eentje die er te hoog bovenuit stak, verraderlijk onttrokken aan het zicht door het dikke pakket gevallen herfstblad, dat weliswaar prachtig rood, goud en koper kleurde, maar je tenen niet beschermde tegen de harde stoot tegen zo’n steen. Ze zeggen dat menig wandelaar die het tot hier had gered, zijn teen erop brak, om zo alsnog uitgeschakeld te worden.
Was je daar eenmaal voorbij, dan wachtte de laatste beproeving: Het Poelpad. Het Poelpad bestond uit een pad van planken op een ondergrond van drassige moerasgrond, ogenschijnlijk gemakkelijk te belopen, maar het venijn zat hem in de dertiende stap. Zette je die, dan werden de planken het zwaarst belast en zakten weg onder het oppervlak van het moeraswater dat natuurlijk donkerbruin gekleurd was. Je zakte zo diep dat de planken volledig aan het zicht werden onttrokken. Je had geen idee waar je nu nog je voeten neer moest zetten. De slimmeriken die hier nog niet van ophouden wisten, ontdekten dan dat schuifelen de beste methode was: Alleen zo kon je vaststellen waar de planken ophielden en het moeras begon, zodat je voorzichtig je schuifelrichting iets kon corrigeren en, maar alleen met goede moed en eindeloos geduld, zo kon je dan dat laatste stuk afleggen.
De meeste waaghalzen waren niet zo’n slimmerik. Zij zetten een grote stap in de hoop zo snel mogelijk op de gemakkelijkste manier van dit pad af te komen en dat was precies wat gebeurde, alleen niet op de manier die ze wilden. Ze zetten hun voet naast de planken en zo verdween eerst hun ene been in de diepte van het moeras, en vervolgens werd, met het ontbreken van elke weerstand, het andere been meegetrokken. Daarna verdwenen hun romp, hun zwaaiende armen, hun schreeuwende hoofd en tenslotte hun kruin. Er werd nooit meer iets van hen vernomen en het was alsof ze nooit hadden bestaan.
Kerstmens was zo’n slimmerik die het wel allemaal kon. Tenminste, dat moet wel zo zijn, want Kerstmens bereikte lang geleden, veel langer geleden dan gisteren, wel het einde van het Poelpad.
Daar bevond zich een kelder. Kerstmens ging er naar binnen. En deed dat jaar op jaar, dat staat vast want er zijn nog selfies van, maar Kerstmens zelf wist nooit dat het om een jaarlijkse traditie ging en misschien was dat maar goed ook.
Wie die selfies bekijkt, ziet Kerstmens gekleed in een warme broek van donkerrood fluweel, de pijpen aan de onderkant afgezet met prachtig nepbont, in een kleur die het midden hield tussen wit en ivoor, met over de broek een rokje van zijde, bijna dezelfde kleur rood, maar met net een iets andere glans en afgezet met weer hetzelfde bont, dat door zijn stijfheid het rokje feestelijk uiteen deed staan. Waar onder de broek stevige groene rubberen laarzen (die van het soort waarmee je goed over een omgeploegde akker kon lopen tijdens regenachtig weer) de voeten van Kerstmens beschermden tegen kou en optrekkend vocht, stak de romp van Kerstmens in een nauwsluitend truitje in regenboogprint. Daaroverheen, zo zien we op zo’n selfie, droeg Kerstmens een mouwloze roodfluwelen jas, de armsgaten afgezet met het nepbont dat je ook aan de kraag en de zoom zou verwachten maar dat daar juist ontbrak. Was het geld op geweest? Was het een sneer naar de vroegere modeontwerpers die juist dat soort details zo serieus namen? Of waren ze het simpelweg vergeten? Hoe dan ook, op het hoofd van Kerstmens prijkte een kerstmuts in regenboogkleuren en, ik moet toch zeggen: ‘Gelukkig,’ met bontrand en pompoen. Aan de oorlellen van Kerstmens, die juist onder de kerstmuts uit piepten, hingen letterlijk oorbellen. Echt, in beide oren hing een zilveren bel, met klepel en al, het moet continu getingeld hebben. Wat we niet zien op de selfies is of Kerstmens een traditionele kerstbel in de hand hield. Waarschijnlijk niet want hoe moest je dan een mobieltje vasthouden en je bagage tegelijk? Het zou dus kunnen dat die kerstbellen in de oren de honneurs waarnamen van die traditionele bel, maar je begrijpt, dat blijft gissen.
Het jaar waar ik je over wil vertellen, was het koud en donker toen Kerstmens bij de kelder aankwam. Waarschijnlijk begon het ook net te regenen, dus het kwam goed uit dat Kerstmens naar binnen kon. De deur, waarop in het kale, grijze, verweerde hout de uitgestanste letters KOV nog zichtbaar waren, stond open. Dat heeft zo moeten zijn, want hoe kon Kerstmens anders naar binnen? De trap naar beneden was lui maar met korte treden dus wie afdaalde moest uitkijken en zijn voeten goed neerzetten. In het midden liep zo’n gleuf waar je je fietsbanden in kon laten rollen, maar Kerstmens was niet met de fiets, dus die gleuf had er net zo goed niet kunnen zijn.
Van kelders verwacht je dat ze koud en klam zijn, zeker in de winter en bij koud en nat weer, maar dit was niet het geval. Het was weliswaar donker, maar ook lekker warm en droog. Terwijl Kerstmens de trap afdaalde, het donker in, zich vasthoudend aan de leuning, want het werd steeds onmogelijker te zien waar voeten terechtkwamen, koos het laatste restje daglicht ervoor buiten bij de ingang de wacht te houden, klaar voor wat komen zou.
Op een bepaald moment moet de trap gestopt zijn met trap te zijn en moet de vlakke ondergrond het overgenomen hebben. Dat moet wel, want hoe diep kan een kelder liggen? Nu de vloer geen verrassingen meer had, kon Kerstmens zich beter ontspannen. De leuning was ook opgehouden te bestaan, maar dat gaf niet want de kelder leek mee te groeien met elke stap die Kerstmens zette. Het kan niet anders dan dat alles erop gericht was een veilig onderkomen te bieden, zonder risico’s van vallen of ergens tegenaan lopen, of wat dan ook. Gelukkig maar, want er moest een missie volbracht worden die niet veel tegenslag kon verdragen, er zat namelijk een behoorlijke tijdsdruk op. Maar dat wist Kerstmens op dat moment nog niet.
Kerstmens liep verder en net toen de vraag boven kwam drijven hoe groot die kelder eigenlijk was en waar die helemaal onderdoor liep, begon het lichter te worden. Het was een warm schijnsel dat zich gelijkmatig over de ruimte verspreidde. Het werd langzaam feller en in de ruimte begonnen zich contouren af te tekenen. Kerstmens onderscheidde een bank en een paar luie stoelen, een boekenkast vol boeken en puzzels, lange tafels met stoelen, gezellig belegd met bontgekleurde tafelkleden en opgedekt met een kleurig servies dat precies paste bij de kleden. Er stonden kristallen glazen, karaffen en kandelaars wachtend op hun brandende bewoners. Kerstmens voelde de vloer stroever worden, er bleken opeens dikke tapijten te liggen die een behaaglijk gevoel gaven en ook verklaarden waarom de ruimte gedempt leek, al was er nog geen geluid te horen waar dit uit moest blijken. Maar nog voordat Kerstmens deze constatering af kon maken, kwamen tonen de ruimte in en weldra klonk overal om Kerstmens heen gezellige muziek, niet te hard, niet te rustig en ook niet te bombastisch.
Kerstmens keek om zich heen en besloot in één van de comfortabele fauteuils neer te zakken om even uit te rusten. Zittend met de ogen dicht, genietend van de muziek, liet Kerstmens de neerdalende loomheid over zich heen plooien. Het kan niet anders gegaan zijn dan dat Kerstmens even in slaap gevallen moet zijn. Dat slaapje duurde niet lang en het is ook nooit duidelijk geworden wat het ontwaken nu in gang zette, maar dat was wat gebeurde.
Met een vredig gevoel om zich heen kijkend viel het Kerstmens op dat het licht op een plek in de kelder helderder leek. Er zat niets anders op dan op te staan om uit te zoeken waarom dat zo was. Speurend op de heldere plek lieten fotolijstjes hun herinneringen zien. Kerstmens op het eerste fietsje, vervend met vingerverf aan een driedimensionale tekening, pannenkoeken bakkend, op een schommel, verjaardagskaarsjes uitblazend, echt de hele kindertijd stond daar uitgestald. Een sentimentele verteller zou nu verhalen over weggepinkte tranen, maar zoiets was gewoon niet het geval, dus daar hoeven we het niet over te hebben.
Wat veel belangrijker was, was dat tussen de lijstjes een envelop stond. Groen, vrij groot en zo te zien gevuld. In krulletters stond er ‘Kerstmens’ in het midden geschreven.
Opeens vroeg Kerstmens zich af waar die barre tocht naar deze kelder voor nodig was geweest. Wat was de reden geweest om hiernaartoe te gaan? Welke taak wachtte hier? Al deze pracht en praal, al dit comfort… Dat was toch niet voor niets? Kerstmens sloot de ogen en probeerde terug te gaan naar het moment van vertrek. Was de reis zomaar uit het niet aangevangen? Was er een opdracht? De hele afgelegde route passeerde achterwaarts de gedachten, alles in volstrekt heldere beelden, kleuren, geuren, emoties en lichamelijke sensaties. Tot aan de twee straten naar rechts. Daarvoor werd het zwart.
Het kon niet anders dan dat dit betekende dat het ging om Missie van Belang. Want waarom anders al die geheimzinnigheid? Kerstmens keek nog eens om zich heen. De enige ontdekkingen tot nu toe waren de pracht en praal. Oké, bij nadere inspectie werd duidelijk dat de hele prachtige boel wel een afstofbeurt kon gebruiken, maar toch. Zo eenvoudig kon het niet zijn.
Kerstmens deed de stevige groene rubberen laarzen (die van het soort waarmee je goed over een omgeploegde akker kon lopen tijdens regenachtig weer en je voeten beschermden tegen kou en optrekkend vocht) uit. De rode mouwloze jas kon ook wel uit, het was hier warm genoeg. Kerstmens speurde langs de comfortabele stoelen, wikte en woog en koos uiteindelijk voor een exemplaar dat nog het meeste leek op oma’s oude oorfauteuil, maar deze had extreem grote oren en een voetenbankje. In de stoel lagen kussentjes in alle soorten en maten en naast de stoel lagen, op een houten krukje, een paar plaids van verschillende materialen en in vrolijke bonte kleuren. Voor elk wat wils.
Kerstmens stond voor de stoel en pakte de kussentjes een voor een op, voelde en veerde, gooide sommige terug in de stoel en andere naast het krukje op de grond. Van de plaids leek de bovenste het meest geschikt, dus daarbij kon de testsessie achterwege blijven. Kerstmens nestelde zich in de oorfauteuil, compleet met opgetrokken benen, steunende kussentjes op de juiste plekken en de plaid als een liefdevolle omhelzing. Het was tijd om de groene envelop te openen. Er zat een goudgele kaart in. In rode letters stond geschreven:
Creëer de troostende omhelzing
Als elk jaar
Maak het voor elkaar
Zendt heen de ontbering
Kerstmens verzonk in gepeins. Waarom moest de omhelzing troostend zijn? ‘Allen’, kwam als woord bovendrijven. Nee, hier miste een letter. ‘Alleen.’ Ja, dat klopte beter. Kerstmens was hier tenslotte alleen. En gezien de onbarmhartigheid van de enige juiste paden die naar de kelder leidden, was vanavond geen bezoek meer te verwachten. Toch?
Hmm, ergens moet deze gedachte geknaagd hebben.
Kerstmens trok de plaid wat dichter om zich heen. ‘Alleenzaam’ verscheen in de lucht, letters als het licht van ontstoken siesters. Oké, dat woord bestond niet eens. Kerstmens krabde achter de oorlel, de bel begon te rinkelen. Die konden ook wel uit, geen levend wezen hier dat gewaarschuwd moest worden. Omstandig begon Kerstmens de oorbellen los te klippen om ze uit de oorlellen te kunnen haken. Dat ging nog best moeilijk, de zilveren stekers van de bellen leken wel vergroeid met de lellen. De bellen gleden op de grond om roerloos, geluidloos en werkloos te blijven liggen tussen de hoogpolige franjes van het vloerkleed, en de lellen begonnen gemeen te steken. ‘Alleenzaam met zwijgende pijn.’ Wat was dat nu weer voor kolderieke zin? Pijn praat toch sowieso niet? Kerstmens dacht na. Misschien sprak pijn niet maar kon wel iets zeggen? Maar wat? Pijn zegt dat er iets mis was. Ja, zoveel was wel duidelijk. Een kussentje van de grond bracht verlichting. Kerstmens graaide het van de stapel en propte het onder de plaid tegen de borst, drukte het met een arm stevig tegen zich aan en schikte met de andere hand de plaid weer zo goed mogelijk om zich heen. ‘Alleenzaam met zwijgende pijn en ontbrekende troost.’ Hoelang bleef die zin groeien? Zat er een boodschap in of zo?
Nog voor de eerste traan over de wang begon te rollen besefte Kerstmens dat deze huilbui geen opluchting zou brengen. Sommige huilbuien doen dat nou eenmaal niet. Toch zat er niets anders op dan de huilbui te doorleven, het moest gewoon gebeuren. Alleenzaam, zwijgende pijn, het moest geïnternaliseerd worden, om de een of andere reden.
Zo’n twee uurtjes later vond Kerstmens zichzelf op de grond, het gezicht plakkerig en zoutig en de wangen versiert met pluisjes van de hoogpolige franje, plakkend in wat uitgeveegde snottebellen moeten zijn geweest. De oksels van het regenboogtruitje waren donker gekleurd, het viel niet te ontkennen dat zich een situatie van overmatig zweten had voorgedaan, daar op het kleed, terwijl de tranen hadden gestroomd. De groene envelop lag voor de neus, de goudgele kaart een fractie verderop. Ergens moesten antwoorden in besloten liggen. Dit kon niet allemaal voor niets zijn. Kerstmens keek op. Op de muur stond iets geprojecteerd. Nergens was een projector te ontdekken, maar toch was daar de tekst, als een lichtkrant, regel voor regel, steeds opnieuw:
Blijven ogen de andere kant opgaan
Dan is het leed nog lang niet gedaan
Dan verstoffen problemen, terwijl ze toch blijven bestaan
En zul je aan wegkijken ten onder gaan
Verbitterd door wrok en pijn zul je compleet vergaan
En is niemand ooit nog met je begaan.
Dat was het! De barre tocht. De pracht en praal en tegelijkertijd de tranen. En dan natuurlijk die rare zin over alleenzaam zijn. Het was bijna kerst! De tijd waarin iedereen gezelligheid claimde als een vanzelfsprekendheid. De familiefeesten, de uitgebreide diners. Kerstbomen, de een nog groter dan de ander, behangen met duizenden lichtjes en gouden en zilveren ballen. Bergen pakjes eronder, de dag te kort om ze allemaal uit te kunnen pakken. Mooie chique jurken en pakken, of juist comfortabele warme kerstruien op je favoriete slobberbroek ‘want wij doen lekker gemakkelijk, als het maar gezellig is.’ Kaarsjes, kerststol, puddingen en cake. Opa en oma die te laat komen, of die ene oom juist veel te vroeg. Neefjes en nichtjes die te luidruchtig zijn. Het zilveren bestek dat eens per jaar gebruikt wordt, voor die gelegenheid vorige week gepoetst en weer zorgvuldig verpakt in vilten doeken zodat het glanst en glittert op het belangrijkste moment van het jaar. Serviezen van porselein, met het zilveren randje, dat om die reden met de hand moet worden afgewassen want van dat randje wilden de families de komende 100 jaar ook nog kunnen genieten. De kleden met kanten randen en rood-groene borduursels, afgezet met gouddraad, met nog die vage vlek van rode wijn die er maar niet uit gewassen wilde worden omdat de delicate stof geen hoge wasmachinetemperaturen verdraagt en waarop dan strategisch een schaal of een kandelaar geplaatst moet worden want het blijft toch storen, zo’n vage vlek, ook al roept iedereen: ‘Daar zie je niets van.’ Juist díe claim van vanzelfsprekende gezelligheid maakte ontelbaar veel mensen zo alleen met kerst. En eenzaam.

Het was tijd! Cadeautjes brengen hier en daar, een kerststocking vullen, de mensen dachten dat dat alles was wat Kerstmens deed. Maar de echte taak, de enige die ertoe deed, was deze! Hoe kon het toch dat Kerstmens dit elk jaar weer opnieuw moet ontdekken? Waarom niet gewoon onthouden? Ja, natuurlijk, Kerstmens wist het antwoord wel. Deze taak was zo groot en omvangrijk, als je het zou onthouden, zou je er elke dag als een berg tegenop zien, vanaf de eerste dag na kerst, tot de dag voor kerst van het volgende jaar. De moed zou je in de schoenen zinken. De lust vergaan. Nee beter was het om het allemaal maar een beetje te verdringen en er pas aan herinnerd te worden als het tijd was om de voorbereidingen te starten.
Maar dit jaar kwam die herinnering rijkelijk laat! Kerstmens schoot overeind en begon aan de tocht naar een ander deel van de almaar uitdijende kelder. Geur van vers hooi en stro. Het schrapen van de twee middelste tenen van hoeven over de stenen vloer van de kelderstallen. Hertachtige rendieren en rendierachtige herten drentelden wat heen en weer in de grote ruimte die het aanzien had van een prachtige bergweide, compleet met sneeuw en bomen die beschutting gaven tegen alle soorten extreem weer. De dieren leken klaar voor hun jaarlijkse taak.
‘Hallo mijn lieve Rudolfen! Het is tijd. Jullie mogen de wereld in voor jullie klus.’
De Rudolfen keken allemaal naar Kerstmens en begonnen zich te verzamelen. De atmosfeer in dit stuk van de kelder leek te worden opgetild door prettige spanning en optimistische verwachting. ‘Voor jullie vertrekken, moet ik jullie nog herinneren aan een belangrijke taak, Rudolfen.’
De blikken van de Rudolfen stonden nieuwsgierig, hier en daar werd een oor gespitst.
‘Vergeet niet het Poelpad te plaveien met dennentakken en schelpen, zodat het deze avond begaanbaar is. Het moeras is dit jaar natter dan ooit. Zet de lantaarns op anderhalve meter afstand van elkaar, zodat het gezelligheidsgevoel al meteen begint bij stap dertien op het pad. En zet alle verkeerslichten in de wereld op rood en laat alle motoren afslaan, zodat de route naar het Poelpad veilig wordt en de lucht erboven schoon om in te ademen zodat iedereen kan aansluiten en doorreizen. Bij aankomst wacht jullie het achtergebleven daglicht bij de ingang van de kelder, zodat iedereen weet waar hij moet zijn. Kom Rudolfen, schiet nu op! We hebben geen tijd te verliezen!’ Kerstmens zette het hek van de stal open. De dieren stapten rustig achter elkaar de stal uit, om door de gangen de kelder te verlaten voor hun jaarlijkse taak. Ieder dier dat door het hek ging, kreeg van Kerstmens een klopje in de hals en rode linten verschenen om de halzen en bellen kwamen aan de oren te hangen. Klingelend gingen ze op pad, een immer groeiende stoet. Toen het laatste dier de stal verlaten had, keek Kerstmens de stoet tevreden na. Die waren wel even onderweg en de wereld was groot, dus nu was er wel even tijd. En dat moest ook, want er moest nog een hoop gebeuren.
Wil je weten hoe het verder ging? Dat zal ik je vertellen. Kerstmens huppelde terug door de gangen en trok onderweg een bonte schort met zonnebloemen en zeepaardjes erop uit een kast die daar toevallig ergens stond, en bond hem voor. Verderop vielen een paar schoonmaakhandschoenen uit de lucht en zodra die om Kerstmens’ handen prijkten, kwamen bezems, stofzuigers, poetsdoeken, schoonmaakmiddelen maar ook pannen, schalen, groentes en vleesveervangers, mixers, lepels en spatels aangesneld om allemaal voor Kerstmens uit te vliegen naar de ruimtes met oorfauteuils, stoelen en banken, gedekte tafels, haarden en warme kleden.
Op dat moment stak in de kelder een tornado op. Tenminste, zo moet het wel gegaan zijn want hoe anders speelde Kerstmens het klaar om alles op tijd af te hebben? Kerstmens vloog in het rond, net zoals alle spullen uit de optocht. Toen de wind weer ging liggen, brandden de kaarsen, verwarmden de haarden de zalen op een energieneutrale manier en stonden heerlijke gerechten te pruttelen in pannen en ovens. Geuren van kaneel, anijs en amandel vulden de ruimtes. Kannen water stonden gereed op de gedekte tafels. Alles was piekfijn in orde, er lag geen stofje meer verkeerd. Kerstmens slaakte een tevreden zucht. Dat wil zeggen, ik denk graag dat dat gebeurd is, want dat zou het zo lekker dramatisch maken. Het schort met zonnebloemen en zeepaardjes kon uit.
Met het losknopen daarvan werden de gangen van de kelder gevuld met geluiden. Het lawaai van dravende Rudolfhoeven, vermengd met druk gepraat en gelach. Het gevoel van hoop en verwachting kwam voor de troepen uit aangesneld door de gangen. Kerstmens voelde: Het zijn er dit jaar nog meer dan anders. Polarisatie, sociale onzekerheid en zorgen over het minimum inkomen maakten de mensen ongelukkig, moet Kerstmens gedacht hebben, en even moet daar wat verdriet te voelen zijn geweest. Maar gelukkig was dit de Kelder van de Oneindigheid en Verbinding. Iedereen voor wie dat nodig was kon erin, iedereen was welkom.
Eindelijk kwamen daar de eerste gezichten om de hoek, de ohh’s en ahh’s vulden de zalen. Net als andere jaren zocht iedereen rustig een plekje, niemand was te gretig, niemand wilde een ander van zijn plek verstoten zoals je soms ziet bij andere all you can eat-buffetten, want de Rudolfen hadden onderweg iedereen al gerustgesteld: ‘Er is voor iedereen plaats en er is voor iedereen genoeg. En ook weer niet te veel, want aan verspilling doet Kerstmens niet.’ De stroom mensen vulde de kelder en steeds als een tafel vol was, verschenen daar de gerechten, geurend en smakelijk, voor iedereen precies wat hij lekker vond. De kelder bleef uitdijen tot iedereen zat en at en het was feest!
Kerstmens keek tevreden rond. De Rudolfen stonden achter Kerstmens, als een veilige buffer tussen de pratende, lachende en etende mensen en de buitenwereld. Dit jaar was het weer gelukt. Niemand was alleen met kerst, niemand was eenzaam, niemand had pijn, iedereen had het gezellig en er was eten genoeg. Het Poelpad was achter de stoet aan weer onbegaanbaar geworden zodat duistere krachten de kelder niet zouden weten te vinden. Iedereen was veilig vanavond en kon genieten van wat was.
Kerstmens knikte en sprak tot de Rudolfen:
‘Jullie ogen keken in het rond
Op zoek naar het leed in de wereld
En namen het op, om het voor even van iedereen af te kunnen schudden
Vanavond is iedereen hier van zijn problemen verlost
Maar men wordt hier niet voor eeuwig verlost
Niemand zou aan zijn problemen ten onder moeten gaan
En in de Kelder van Oneindigheid en Verbinding
Kan iedereen ervaren hoe heilzaam verbinding is
Maar daarna moet men zelf de handschoen oppakken
Help dus jezelf maar help ook een ander
Wees met je medemens begaan
Een betere wereld kan dan bestaan’
En ze leefden nog lang, en, in ieder geval voor even, gelukkig.
Epiloog
Ze zeggen dat de Kelder van Oneindigheid en Verbinding nog steeds bestaat. Niemand weet zeker of Kerstmens nog jaarlijks de opdracht ontvangt. Tongen beweren dat oren het hoefgetrappel van Rudolfen jaarlijks horen. Elders klinkt echter gefluister dat die dieren uitgestorven zijn. Degenen met hoop en gevoel voor de realiteit stellen dat het allemaal nog wel bestaat, maar dat Kerstmens het hoofd moet bieden aan de gevolgen van krimpflatie.
Wat denk jij? Je komt er pas achter als je voor het Poelpad staat. Pas bij de dertiende stap weet je of jij veilig over het pad kunt gaan en de deuren van de Kelder van Oneidigheid en Verbinding kunt openen. Een ding is zeker: Kerstmens wenst je succes, wijsheid en kracht voor jouw reis.


Wat een heerlijk sprookjesverhaal over hoop, dat tegelijkertijd ook de werkelijkheid niet onbenoemd laat.
Wat een mooi verhaal met zoveel verschillende lagen. Net gelezen, nu even tot rust gekomen te zijn na alle kerstgebeurtenissen, waarvan sommige in je verhaal beschreven staan.
Wat verras je me weer met dit kerstverhaal, net zoals in de poel, zonk ik helemaal weg in het verhaal! Leuk weer wat van je te lezen Mascha! 🎅
Ha Monique, dankjewel!
Dankjewel voor je mooie
, zeer tot mijn verbeelding sprekende kerstverhaal Mascha. Heerlijk om op deze kerstmiddag liggend op de bank te lezen.
Dankjewel Annemieke!
Wat een heerlijk kerstverhaal! De diepere boodschap met humor en liefde beschreven. Een verhaal om met Kerst voor te lezen in de familiekring, zodat ieder kerstmens eruit kan pakken wat voor hem of haar op dit moment van betekenis is. Hartelijk bedankt Mascha!
Dankjewel Ellen!