Het verhaal

De straatlantaarns springen aan. Ik laat mijn fiets uitrijden.

Vorige week ontsnapte ik ternauwernood aan een boete. Een tegenligger was zo lief me in het voorbijgaan ‘politie’ toe te fluisteren. Ik kon nog net voor een bocht van mijn fiets springen en mijn band leeg laten lopen. De agent stond achter een boom. Ik zou hem nooit op tijd gezien hebben zonder de waarschuwing, maar nu was ik hem voorbij gelopen met mijn fiets aan de hand en mijn beste ‘lekke band’-gezicht.
‘Wat een pech. Moet je nog ver?’ De agent had een stap uit zijn schuilplaats gedaan.
Valt wel mee,’ had ik gemompeld.

Met een ‘succes’ had hij alweer langs me heen getuurd, op zoek naar zijn volgende slachtoffer.

Mijn wangen kleuren opnieuw bij de herinnering.

Als ik naast een plas stilsta, buig ik me naar voren om de fietslamp aan te zetten. Ik trek mijn handschoen uit en zet het schuifje van mijn fietslamp op ‘on.’ Terwijl ik dat doe, valt de handschoen in de plas. Verdorie! Nu is hij kletsnat. Ik raap hem op, knijp hem uit en prop hem in mijn fietstas. Aantrekken heeft nu geen zin meer.
Ik stap op en fiets verder, tegen de wind in, over de dijk naar huis. Thuis smijt ik de fiets tegen de gevel en loop naar binnen. Met mijn jas nog aan pak ik een kip uit de vriezer om te ontdooien. 

Morgen komen de buren eten. Met ‘kip onder de hoed,’ mijn favoriete recept, wil ik ze gunstig stemmen want het gesprek zal gaan over een nieuwe erfafscheiding.

Die moeite zou ik me kunnen besparen want na dat overleg zullen we ze nooit meer een blik waardig keuren.

Tijd

De verteltijd is de tijd die nodig is om de gebeurtenis te vertellen. Hier is de verteltijd ongeveer een half A’4tje.

Vertelde tijd is de tijd die in het verhaal verstrijkt. In bovenstaande fragment is dat vanaf het aanspringen van de lantaarns (dus eind van de middag, begin van de avond) tot het pakken van de kip. Alles bij elkaar waarschijnlijk een half uurtje. 

Er zit zowel een flashback in (Vorige week…volgende slachtoffer) als een flashforward (Die moeite…waardig keuren.)

Door vertraging toe te passen, in dit geval de uitgebreide beschrijving van het aandoen van de fietslamp, kun je als schrijver goed laten zien wat er precies gebeurt. Maar als de hele weg naar huis zo gedetailleerd verteld wordt, vraag je je als lezer af of er nog wat actie komt.

In een versnelling kun je als schrijver de noodzakelijke informatie kwijt zonder in details te verzanden. Hierboven lezen we dat de fietser naar huis fietst en kip uit de vriezer pakt, maar we komen niet te weten wat de fietser onderweg verder nog tegenkomt of dat hij het koud heeft omdat de wind over het water waait en daardoor koud en vochtig is. Ook weten we niet dat zijn (door het ontbreken van de handschoen) al koude vingers helemaal gevoelloos worden als hij de bevroren kip vastpakt. Blijkbaar is dat niet relevant voor het verhaal, terwijl we schijnbaar wel op de hoogte moeten zijn dat de fietser thuiskomt en plannen heeft met kip.

Wanneer je in de tegenwoordige tijd schrijft, maak je het verhaal actief. De gebeurtenis vindt nu plaats, de lezer maakt het als het ware live mee.

Een tekst die in de verleden tijd geschreven is, gaat per definitie over iets dat al geweest is. Waar de tegenwoordige tijd activerend kan werken, is de verleden tijd vaak wat meer beschouwend. Het is al gebeurd en we kijken erop terug.

Het is belangrijk dat je consequent bent in het gebruik van de tegenwoordige tijd of verleden tijd. 

Door te spelen met al deze aspecten van tijd, kun je je informatie doseren en de spanning opbouwen. 

2 reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *